Buurtbericht

Nog een scène in de Pijp uit Mijn Liefde is scharlakenrood

door meursam · op 19 aug 2011 om 20:21 · 930x bekeken · 0 reacties
uit de Pijpkrant van augustus 2011
1/4

Naar aanleiding van het simpathieke artikel van Peter Leemeyer in de Pijpkrant over Mijn Liefde is scharlakenrood volgt hier een nieuwe scène die zich afspeelt in de Pijp, en wel in de woning van Rooie Willem in de Ruysdaelstraat. Zie ook de scène die zich afspeelt in het voormalige café Koekenbier in de 1e Van der Helststraat.

<Ik sta in zijn woning. In een boekhandel voor tweede handsboeken heb ik gehoord dat hij inderdaad is overleden. Dat verbaasde me achteraf niets, ik dacht in dit geval clichématig: wat me verbaast is dat hij niet veel eerder is gegaan. Hij was ongezond en leefde ongezond. Dat laatste deed ik ook, maar ik kan ertegen, ik ben taai. Taai en mager. Bovendien ben in de bak aardig opgeknapt, lichamelijk dan. Maar eigenlijk daarvoor ook al, toen ik samenwoonde met de vriend die ik heb neergestoken toen hij me voor de tweede keer aanviel. Ze hebben me plotseling vrijgelaten, waarschijnlijk omdat ze beseften dat ik nooit een langere straf zou krijgen dan ik op dat moment al in voorarrest had gezeten.
Willem was papperig, ging zich voortdurend te buiten aan drank en ook aan vreten, als hij het geld ervoor had. Ik ben verslaafd, ga me te buiten aan drank en soms aan drugs, maar eigenlijk leef ik verder heel sober en beweging heb ik met dat de hele dag rondzwerven ook genoeg. Eigenlijk ben ik een voorbeeld voor al die wijven die willen lijnen en er niks van terecht brengen. Dakloze, want ik kan niet terug naar de flat waar ik met mijn ex woonde, als rolmodel. Ik ben hier vroeger vaak genoeg geweest om nog te weten hoe ik binnen moest komen.
Ik kom dus dat huis in de Ruysdaelstraat binnen door een haak door de brievenbus te steken en daarmee aan het touw te trekken. Ik moet heel voorzichtig langs de deur op de eerste verdieping van de oude moeder en dan kom ik helemaal boven in het huis op de vreselijk vervuilde zolder van Willem. De sleutel was nog verborgen op dezelfde plaats. Het stinkt er, ondanks dat iemand – de moeder kan die trappen niet op, dat weet ik – het raam bij de hijshaak heeft open gezet. Ik stond meteen al in de keuken die sinds ik de laatste keer hier was provisorisch is ingebouwd. Rechts zijn twee kamertjes zonder deur met rekken die praktisch verborgen worden door de boeken die er weer voor zijn gestapeld, linksboven is een vliering waarop een matras ligt, er staan twee stoelen, ook vol boeken. Je zou op de stoelen kunnen zitten als er geen boeken op zouden liggen, je zat dan met je hoofd vlak onder het dak. Overal liggen boeken, in de rekken, voor de rekken, op een stapel van anderhalve vierkante meter in het midden van de zolder, waar weer boeken die voor de rekken hebben gestaan overheen zijn gevallen. Het is hier stoffig en smerig, er liggen pluizen in de hoeken. Aan de opgedroogde drek kun je niet meer meteen zien of het gewoon etensresten zijn of dat het braaksel, bloed of stront is. Dwars door de opgedroogde drek is een nieuwe leiding aangelegd, een rechthoekige platte plastic buis. Voor elektra, kabeltv, telefoon? Ze hebben gewoon hun werk gedaan, de monteurs, dwars door alle viezigheid heen. Ik stel me voor dat ze bij de moeder hebben aangebeld, dat die gezegd heeft: “Maar hij is dood!, hij heeft er niks meer aan, en wie moet dat betalen?” “Geeft niks, ‘t is al betaald, mevrouwtje,” hadden ze gezegd, “geeft u ons maar de sleutel.” Zulke types dus, de opdracht was nu eenmaal gegeven en betaald, dus kwam die leiding er dwars door alle opgedroogde drek. Zo gauw er vocht bij kwam, zou je meteen weten wat het was, bedenk ik. Het zou werken als bij gedroogde soep of ander gedroogd voedsel, zo goed als reukloos, maar dat je meteen ruikt als je er water aan toevoegt. Ik zou de schoonmakers – want die zouden er natuurlijk uiteindelijk komen – willen adviseren alles eerst zo goed mogelijk droog los te krabben en op te vegen, dan te stofzuigen en daarna pas water te gebruiken. Om te voorkomen dat ze meteen al over hun nek gingen. Ik adviseerde ze ook om een mond- en neusmasker op te zetten en door hun mond te ademen om kokhalzen tegen te gaan. Kijk maar wat je ermee doet, hoorde ik mezelf zeggen, maar geloof me, ik heb ervaring.
Hoe lang had hij hier gelegen? Had hij nog kunnen denken in het begin dat hij er lag? Ik herken een aantal schriften en dichtbetypte foliostencils. Ik zie er tegenop, wil me omdraaien en denk: ik kom wel een keer terug. Ik kijk naar die troep, ik weet eigenlijk wel wat erin staat. Ik herken ook de zwaar beschadigde ordner waarop staat: Landelijke RJ-kranten. Ik zucht, want ik weet zelfs dat de laatste dateert van mei 1971 en dat hij er daarna nog een paar zogenaamde ‘cahiers’ uit 1973 aan heeft toegevoegd.>
(uit Mijn liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M., in de buurt o.a. verkrijgbaar bij Schimmelpennink, Fenix en Godfried)

printstuur doormeld als ongepast
Plaats dit bericht op eKudosVoeg dit bericht toe op RedditVoeg dit artikel toe aan MSN ReporterFacebooktippen
Reacties op dit bericht
Er zijn nog geen reacties op dit bericht.
Reageer op het bericht
Het plaatsen van uitingen met een racistisch, discriminatoir, erotisch of beledigend karakter is niet toegestaan.
Lokaal adverteren?