Buurtlink
Maak een keuze uit wat je wilt toevoegen
Stel buurtgenoten op de hoogte van activiteiten aankondigingen en evenementen
Heb je spullen te koop, gratis op te halen of ben je naar iets op zoek
Deel beelden uit de buurt van je favoriete plekken, monumenten of bezienswaardigheden
Deel verhalen uit de buurt over evenementen, historie of bijzondere bewoners
Roep de buurt op om een mening te geven of een stelling, klacht, opinies of meldingen
Schakel je buurtgenoten in voor hulp bij verloren voorwerpen, huishoudelijke zaken of klusjes
Ga een gesprek aan met je buurtgenoten
1. Plaats jouw kalender in de buurt
2. Waar vindt het plaats?

Het bericht wordt geplaatst in alle buurten binnen een straal van 10km

1. Plaats jouw vraag of aanbod in de buurt
2. Wat is de locatie?

Het bericht wordt geplaatst in alle buurten binnen een straal van 10km

1. Deel je foto of video
1. Vertel je verhaal
1. Deel je oproep met de buurt
1. Deel je hulpvraag met de buurt
2. Plaats het in de buurt
1. Stuur een bericht aan je buren
2. Plaats het in de buurt
Thumb 2014%2bhenk

Verhalen / Ervaringen van

De biechtstoel

In mijn jonge Rooms Katholieke leven maak ik op zevenjarige leeftijd (1950 na Christus) kennis met het fenomeen 'biechtstoel'. Het is een meubelstuk, waarvan er diverse exemplaren in ons schemerige, toch indrukwekkende kerk aanwezig zijn. Onze pastoor heeft zijn eigen biechtstoel, maar ook de drie kapelaans hebben hun privé meubel toegewezen gekregen om 'de biecht te horen', zoals dat heet.
De biechtstoel bestaat uit drie ruimtes van elk ongeveer een vierkante meter. De middelste ruimte is voorzien van een deur, de beide zijhokjes hebben een voorhang van zware gordijnen. De biechtvader, de priester dus, bezet het middengedeelte en heeft daar een comfortabele zitplaats met kussens bekleed, een Gods plaatsvervanger waardig. Hij maakt links en rechts verbinding met de biechtelingen door een raamwerk in het tussenwandje open te schuiven. Hij kijkt dan door een gerasterd rooster, zodat hij zijn kerkganger - ook door de lichtdichte gordijnen voor het biechthokje - niet kan herkennen. Ik krijg echter steeds het gevoel, dat hij me recht in de ogen kijkt en denkt: "Ha, daar hebben we die kleine van Oosterwijk!"
Het hokje van de biechtelingen is niet zo comfortabel: alleen een vaste houten bank, waarop je kunt neerknielen om je zonden aan de biechtvader te bekennen. Nederigheid is geboden, niewaar?

Als jongeling van zeven zit je met je klasgenoten in de kerkbanken nabij de biechtstoel. Met elkaar spreken is verboden, dus iedereen is in gedachten verzonken.
Mijn gedachten gaan terug naar de vooraf gaande weken. Wat zal ik, of beter: wat moet ik allemaal opbiechten? Ik dien wel eerlijk te zijn. Gevloekt, ja, dat is zeker. Niet als vader of moeder het hoorden, maar wel onder vrienden. Dus vloeken moet ik niet vergeten om te zeggen. Ik ga de Tien Geboden maar even na, dan herinner ik me misschien wat meer zonden, die ik begaan heb.
Nummer een: "Gij zult geen afgoden vereren, maar God alleen aanbidden en boven alles beminnen". Daar kan ik geen zonden bij verzinnen. Het tweede gebod dan maar:
"Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken". Dat is dus vloeken, die heb ik al. De volgende "Wees gedachtig dat gij de dag des Heren heiligt" snap ik niet en sla ik maar over.
"Opschuiven," hoor ik de meester zeggen. Ik schuif op in de bank.
"Eer uw vader en uw moeder", dat doe ik en daar hoef ik dus ook niet mee aan te komen. Dan het vijfde gebod: "Gij zult niet doden". Ik heb hooguit een vlieg dood geslagen en een kikker opgeblazen. Dat is toch geen zonde?
En dan komt "Gij zult geen onkuisheid doen". Ik weet eigenlijk niet, wat ze daar precies mee bedoelen. Het gaat blijkbaar over je geslachtsdeel. Lul, zeggen wij daar tegen. Nou, ik heb hem wel eens in de hand als ik moet plassen, maar dat telt niet, denk ik. 'Niet verder over nadenkender, Henk,' zeg ik in gedachten tegen mezelf. 'De volgende!'
"Opschuiven Henk," hoor ik weer en schuifel weer een plaatsje naar de buitenkant van de bank op.
"Gij zult niet stelen". Ja, ik heb wel eens bij de buren stiekem een paar frambozen geplukt en opgegeten. Is dat stelen? Ik zal het voor alle zekerheid maar op mijn denkbeeldig lijstje zetten.
De laatste drie snap ik helemaal niet. "Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen", wat moet ik er mee? "Gij zult geen onkuisheid begeren" is ook abracadabra voor mij. Het woordje onkuisheid heb ik al moeite mee, laat staan begeren, dat is helemaal onbekend gebied. En dan tenslotte "Gij zult niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort". Het is allemaal wel uitgelegd, maar begrijpen is een andere zaak.
Ik houd het maar bij vloeken en stelen!
U begrijpt wel, dat de Tien Geboden er bij mij en mijn leeftijdgenoten wel woordelijk zijn ingestampt!

"Opletten Henk," hoor ik de meester weer. "Gij bent!"
Ik sta op en loop naar de biechtstoel, houd met de rechterhand het gordijn opzij en stap naar binnen. In het schemerige licht zie ik het bankje en kniel met de blote knieën op het harde hout. Mijn neus reikt net tot aan de onderkant van het gerasterd raampje. Ik hoor meneer Pastoor wat mompelen, maar kan het niet verstaan. Het lijkt wel, dat ik een half uur moet wachten, terwijl ik in gedachten mijn lijstje herhaal. Gevloekt en gestolen. Gevloekt en gestolen!
Dan wordt ik toch nog verrast door het openschuivend luikje. Ik heb niet gehoord, dat de overzijde werd dichtgedaan!
"Gevloekt en gestolen!" flap ik er uit voor mijn biechtvader iets kan zeggen. Even blijft het stil en geheimzinnig achter het raster. Dan hoor ik zeggen: "En hoe heb jij dan gevloekt, jongen?"
Ik denk even na over mijn antwoord.
"Gotver!"
Weer blijft het stil achter het rooster. Dat is niet goed, denk ik.
"Alleen maar dat, niet meer?" klinkt het achter dat luikje.
Ik schud ontkennend mijn hoofd, maar begrijp direct, dat meneer Pastoor dat misschien niet kan zien. Meteen bedenk ik ook, dat ik de vloek wel eens wat ruimer uitspreek en af en toe zelfs tweetalig.
"Neije, meneer Pastoor," antwoord ik tegen mijn eigen gedachten in, "nie meer, alleen gotver! "
Weer blijft het stil en in dat stille moment realiseer ik me, dat ik hier zit te liegen!
Maar gelukkig gaat mijn biechtvader verder: "En wat heb je gestolen?"
"Drie frambozen," flap ik er uit, "en ze waren nog ineens nie rijp!"
Weer een leugentje, want het waren er meer dan tien en heerlijk lekker!
"Een Onze Vader voor het vloeken en een Weesgegroetje voor de frambozen. Zal je het niet meer doen?" Ik schud alleen mijn hoofd.
Meneer Pastoor maakt een zegenend kruisteken, mompelt daarbij wat in zijn eigen en schuift het luikje dicht.
Het is gedaan! Ik ben klaar! Ik heb de absolutie ontvangen en alles is mij vergeven!
Ik stap de biechtstoel uit, loop naar een onbezette bank en prevel knielend mijn Onze Vader en het Weesgegroet. Opgelucht loop ik de kerk uit!

Opgelucht?
Niet helemaal. Ik heb gelogen tegen meneer Pastoor. Moet ik dat nou volgende keer biechten? Ach wat: wie niet weet, dat niet deert, heb ik onze pa wel eens horen zeggen. Ik begrijp die woorden niet, maar weet goed wat het wil zeggen!
Een beetje vrolijk, maar toch met een dubbel gevoel ren ik naar huis.
Dat biechten is maar een geheimzinnige zaak en eigenlijk niks voor mij. Gelukkig is dat maar eens in de maand.

© Henk M. van Oosterwijk

Reageer als eerste

Centrum, Oosterhout