Buurtlink
Maak een keuze uit wat je wilt toevoegen
Stel buurtgenoten op de hoogte van activiteiten aankondigingen en evenementen
Heb je spullen te koop, gratis op te halen of ben je naar iets op zoek
Deel beelden uit de buurt van je favoriete plekken, monumenten of bezienswaardigheden
Deel verhalen uit de buurt over evenementen, historie of bijzondere bewoners
Roep de buurt op om een mening te geven of een stelling, klacht, opinies of meldingen
Schakel je buurtgenoten in voor hulp bij verloren voorwerpen, huishoudelijke zaken of klusjes
Ga een gesprek aan met je buurtgenoten
1. Plaats jouw kalender in de buurt
2. Waar vindt het plaats?

Het bericht wordt geplaatst in alle buurten binnen een straal van 10km

1. Plaats jouw vraag of aanbod in de buurt
2. Wat is de locatie?

Het bericht wordt geplaatst in alle buurten binnen een straal van 10km

1. Deel je foto of video
1. Vertel je verhaal
1. Deel je oproep met de buurt
1. Deel je hulpvraag met de buurt
2. Plaats het in de buurt
1. Stuur een bericht aan je buren
2. Plaats het in de buurt
Thumb 2014%2bhenk

Verhalen / Ervaringen van

Vlucht naar Rotterdam (kinderbescherming)

Het moet ongeveer 1956 zijn geweest.
Riet, mijn huidige echtgenote, heeft de leeftijd van veertien jaar en is ondergebracht in het nonnenklooster Bethanië bij de zusters Dominicanessen in Rijsbergen. Na een jarenlange reis langs een klooster te Baexem, een pleeggezin in Zieuwent (Achterhoek) en een klooster c.q. bejaardentehuis in Keijenborg (Achterhoek) bij de ‘Zusters van Julie Postel’ (zie het verhaal ‘Het Pastoorke’), komt ze uiteindelijk in Noord-Brabant terecht.
In dit Bethanië-klooster krijgen de meisjes, die hier bij de zusters intern zijn, eigenlijk alleen maar een algemene opleiding. Zij worden op allerlei plaatsen in en buiten het klooster ingezet: als werkster, als keukenhulpje en als tuinierster in de grote bloementuin en vooral in de tuinbouw. De Dominicanessen zijn zo veel mogelijk zelfvoorzienend en halen aardappelen, groenten en fruit uit eigen tuin. Het is een streng leven en hard werken voor de meiden, waarvan sommigen er maar het beste van maken.

Zo ook Riet.
Als zij ontdekt, dat een van de nonnen bang is voor kikvorsen, vangt zij op een goede dag ruim vijftig kikkers en laat die los in het kloostergebouw. De beestjes springen over tapijten en marmeren trappen en zijn overal te vinden! Het duurt uren voordat de huppelende kikvorsen gevangen zijn, en dan nog zijn de vrome nonnen bang, dat er plotseling eentje tevoorschijn springt.
Dit als grap bedoeld kikkerfestijn wordt door de kloosterzusters niet in dank afgenomen. Als de kikkervriend gevonden wordt , gaat ze dan ook voor een paar dagen op water en brood de cel in met het dreigement: “Als je niet goed oppast, sturen we je naar Stevensbeek. Daar weten ze wel hoe ze je moeten aanpakken!”
In Stevensbeek - Sambeek, Oost-Brabant - is in deze tijd een psychiatrisch centrum, ook geleid door de zusters van Bethanië. In het Rijsbergens klooster deed het gerucht de ronde, dat als je eenmaal naar Stevensbeek verbannen was, je nooit in je leven meer vrij kwam!

Deze bedreiging heeft echter weinig vat op Riet, want ze gaat vrolijk door met streken uit halen. Een appeltje bietsen uit de boomgaard is een doodzonde voor de vrome kloosterlingen, maar Riet vindt ze wel lekker en plukt er regelmatig eentje. Totdat ze door een van de zusters op heterdaad wordt betrapt en een zware straf te verwerken krijgt. De nonnen plaatsen haar in een zinken emmer, die aan een touw boven de waterput hangt en laten haar diep de put in zakken. Urenlang hangt ze daar, krampachtig en angstig vastgeklampt aan het touw, diep in die donkere put. Af en toe komt een non met een zoete stem vragen, of ze wil beloven nooit meer een appeltje te stelen, maar koppig als Riet is, geeft ze hier geen antwoord op. Tegen de avond wordt de emmer met Rietje er in, zonder beloftes van het meisje, dan toch maar naar boven gehesen. Twee zusters begeleiden de ‘appeldievegge’ naar haar kamertje, ze wordt opgesloten en kan zonder eten gaan slapen.
Een van de Tien Geboden zegt namelijk: Gij zult niet stelen. Dus moeten de godsvruchtige dames het meisje leren, dat ook een klein appeltje plukken in de kloosterboomgaard een overtreding van dit gebod is!
Maar het deert Rietje, die al door vele omstandigheden keihard voor zichzelf is geworden, ogenschijnlijk niet.

Op een dag besluit ze het klooster te ontvluchten.
Ze wil naar Rotterdam, haar geboortestad, waar haar vader gescheiden van haar ma woont en waar ook haar oudste zus Bep een thuis heeft gevonden.
Met wat plastiek geld, zij weet niet dat deze munten buiten de kloostermuren geen waarde hebben, fietst ze vanuit Rijsbergen richting Breda en pakt op de rotonde bij motel Breda de afslag naar Rotterdam. Ze heeft er geen weet van, dat het niet mag, maar rijdt met haar fiets gewoon over snelweg E10 naar het noorden. Wel netjes aan de rechter kant van de weg.
De haar voorbij rijdende en toeterende auto’s begroet ze dan ook met een enthousiast zwaaiende arm.
“Best vriendelijke mensen,” denkt ze bij zichzelf. “Ze toeteren naar mij!”
Al fietsend passeert ze de Moerdijkbrug en Dordrecht en bereikt uiteindelijk Rotterdam-Zuid. Het mag een wonder wezen, dat de wegpolitie in hun snelle Porsche haar in de vijf uur durende fietstocht over de E10 niet heeft opgemerkt!

Riet fietst het Feijenoordstadion voorbij en denkt aan haar schoonfamilie Sven, die dit kunstwerk mee opbouwden. Ze gaat richting de Paul Krugerstraat, waar haar vader met zijn tweede vrouw een friettentje runt. De man weet niet wat hij met haar moet aanvangen, vooral ook, omdat zijn vrouw hem nors vraagt, wat die Stooppies nou eigenlijk altijd hier moeten doen! Vader Stoops pakt de telefoon en belt zijn dochter Bep, die even later in een auto met haar verloofde Wim het meisje met fiets komen ophalen. Riet heeft intussen een behoorlijke honger, maar het stief-moedertje is te gierig om even voor het hongerige meisje een puntbuiltje vol friet te scheppen. Vader Stoops durft het niet.

Bij de familie Sven, schoonouders van Bep, wordt onze vluchtelinge met open armen ontvangen en krijgt een heerlijk maal voorgeschoteld. Ma Sven en zus Bep nemen haar mee naar dichtbij zijnde winkels en vervangen de grauwe kloosterkleding door mooie kleren. Riet straalt helemaal en is blij met de nieuwe outfit. Het feest wordt nog groter.
“Je mag hier wel een paar dagen blijven,” aldus ma Sven, “maar we moeten wel even de politie waarschuwen, dat je bij ons bent.”
En zo geschiedt.

De kinderbescherming keurt de paar dagen vakantie goed, vooral als de familie belooft Riet persoonlijk naar Rijsbergen te zullen brengen. Scheelt hen weer een dag werk!
Na enkele gelukkige dagen brengen de schoonouwelui van zus Bep ons Rietje weer naar Rijsbergen terug, zoals afgesproken. De nonnen hebben een vriendelijk onthaal voor de familie Sven, maar zodra deze vertrokken zijn, moet Riet haar mooie kleren en gekregen cadeaus afgeven en ziet die nooit meer terug!
De grauwe kloosterkleren worden weer aangetrokken en ons meisje gaat opnieuw voor enkele dagen de cel in.
De vlucht naar Rotterdam eindigt dus in de kloosterkelder van de zusters Dominicanessen in Rijsbergen op een bos stro in een kille cel!

Dat is het vrome kloosterleven en de zogenaamde ‘Kinderbescherming’ uit de jaren vijftig. Ik vraag me, telkens als er weer iets gebeurt, waarbij ‘Kinderbescherming’ bij betrokken is, af of de situatie bij ‘Kinderzorg’ vandaag de dag wel verbeterd is.

© Henk M. van Oosterwijk

Reageer als eerste

Centrum, Oosterhout